Ivar Aasen

 

Dit blogbericht is gepubliceerd naar aanleiding van mijn op 20 Januari 2021 gestartte cursus Noors. Tijdens de eerste les werd gesproken over Ivar Aasen. Ik wilde meer over hem weten en besloot het artikel: Ivar Aasen, zoals dit gepubliceerd is op de website van Store Norske Leksikon, de Grote Noorse Encyclopedie van de Universiteit van Tromsø, te vertalen via Google. Diverse Google vertalingen bleken niet correct: ik begrijp na tien jaren wonen in Noorwegen inmiddels veel van de geschreven taal, kan woorden plaatsen in de context, begrijp de woorden en weet daardoor wanneer Google het fout vertaalt. Sommige woorden heb ik niet vertaald, omdat de vertaling niet kan weergeven wat het Noorse woord betekent. Woorden zijn dan doorgelinkt naar een bladzijde die meer vertelt over het woord, alhoewel soms in het Noors, eenvoudig te vertalen met Google. Een omschrijving leert vaak meer dan een direkte vertaling. Ook is er soms doorgelinkt naar teksten van Aasen, of is er een video toegevoegd. Een ding is duidelijk: Ivar Aasen was een groot taalmeester. Een taalkunstenaar.

.

.

Ivar Andreas Aasen(Noorse uitspraak klinkt als de o in het Engelse woord story), geboren 5 Augustus 1813 en overleden 23 September 1896, was een Noorse taalkundige en dichter. Hij verzamelde en systematiseerde dialecten en creëerde wat hij de nationale taal noemt, waarmee hij de basis legde voor de moderne Nieuw-Noorse[Nynorsk] schrijftaal. Hij wordt gekarakteriseerd als een van de grootste Noorse taalkundigen en is de grondlegger van de Noorse dialectologie.

De schrijftaal in Noorwegen was lange tijd Deens[1536-1814], maar in het jaar 1830 ontstond er een debat over de noodzaak van een aparte Noorse schrijftaal als onderdeel van de Noorse staatsvorming en de droom van onafhankelijkheid. In hetzelfde decennium formuleerde Aasen een visie over hoe een nieuwe Noorse geschreven taal gebaseerd zou moeten zijn op overgeleverde inheemse dialecten.

In de jaren 1840 reisde Aasen door Noorwegen en verzamelde dialecten. Hij systematiseerde en verzamelde de verschillende dialecten in boeken zoals Det norske Folkesprogs Grammatikk (De grammatica van de Noorse volkstaal) uit 1848 en Ordbog over det norske Folkesprog (Woordenboek van de Noorse volkstaal)uit 1850. Toen, net als nu, was er een groot verschil tussen de dialecten, en om een ​​gemeenschappelijke schrijftaal te kunnen creëren moest hij kiezen tussen verschillende woorden en vormen. Dergelijk werk wordt språknormering(letterlijk: taalnormering) of språkstandardisering(letterlijk: taal-standaardisering)genoemd. Bij het standaardiseren baseerde hij zich ook op de oud-Noorse schrijftaal[norrøne skriftspråket]. In 1853 presenteerde Aasen zijn voorstel voor de norm via het gedicht Nordmannen (Millom bakkar og berg) – De Noor, Tussen heuvels en bergen. In dit gedicht is de basis gelegd voor de Nieuw-Noorse[nynorsk] schrijftaal. Video:

– Nordmannen “Mellom Bakker og Berg” / De Noor “Tussen heuvels en bergen”, vertolkt door Njål Sparbo en een strijkquintet. Muziek: Ludvig Mathias Lindeman. Tekst: Ivar Aasen. Arrangement: Knut Nystedt. Opgenomen door Quattro, Oslo, Noorwegen.

.

Aasen’s overtuigjng was dat de nieuwe schrijftaal levendig zou moeten zijn. Hij gebruikte de nationale taal als schrijver van de zogenaamde bellettrie, in de eerste plaats als dichter. Het gedicht “De Noor”, Nordmannen, Millom bakkar og berg, is verreweg een van de beroemdste gedichten in de Noorse literaire geschiedenis. Dei gamle fjell i Syningom / “De oude bergen in Syningom” zijn een ander hoogtepunt in zijn poëzie.

Het werk dat Aasen deed, kan worden gezien als onderdeel van een internationale trend waarbij taalkundigen de staatsvorming in verschillende landen ondersteunen. In andere Europese landen hebben onderzoekers talen op dezelfde manier opgenomen, gesystematiseerd en gestandaardiseerd als het Faeröers, het Kroatisch enzovoort. Bijzonder aan Aasen was dat hij een wetenschappelijke methode koos waarmee hij talen opschreef op basis van onderlinge vergelijking, de zogenaamde vergelijkende taalkunde, en hetzelfde deed met dialecten. Op deze manier kwam hij op het idee een ​​nieuwe officiële Noorse taal te creëren die we tegenwoordig Nynorsk noemen.

.

Achtergrond

Aasen groeide op op de boerderij Åsen[Åsen werd lang geleden geschreven als Aasen. In Noorwegen werd een voornaam gevolgd door de naam van een boerderij, of een gehucht de plek waar je woonde, en in het geval van Ivar Aasen was zijn familienaam de naam van de boerderij waar hij woonde. AJ] in Ørsta in het district Sunnmøre, behoorlijk geïsoleerd, ver weg van buren, en hij zou daarom erg eenzaam geweest zijn. Hij verloor zijn moeder toen hij drie jaar oud was, en zijn vader toen hij dertien was. Er was weinig scholing: een paar jaar lang ongeveer tien dagen per jaar. Dat was echter voldoende voor hem om gedurende zijn leven een schrijvers-carrière na te streven. Thuis op Åsen was er een bijbel en een paar oude “andaktsbøker”[op de bijbel gebaseerde meditatieve boeken, AJ]; dat was alles. Maar de plattelandsgemeenschap in Sunnmøre waarin Aasen opgroeide, was geenszins een culturele of intellectuele hoek.

Het folkloristische erfgoed naar Hans Strøm (1726–1797) en de omgeving rond de familie Aarflot op de boerderij Ekset in Volda gaven Aasen een basis voor intellectuele en culturele ontwikkeling, waar hij zeer goed gebruik van maakte. Het was niet ver van Aasen naar Ekset, en op Ekset waren er boeken. Er was ook een “prenteverket”(drukkerij) die onder meer werd gebruikt voor het drukken van een krant en diverse kleinere vormen drukwerk voor het gewone volk. Dit was de eerste “prenteverket”(een oud woord voor trykkeri, drukkerij) op het platteland van Noorwegen.

Door de combinate van deze culturele achtergrond met Aasen’s interesse voor boeken werd hij gekwalificeerd om onderwijzer te worden. Dat duurde tot zijn achttiende. Tussen 1833 en 1835 ging hij naar dominee Thoresen in Stoksund in Herøy om zijn opleiding voort te zetten. Daar leerde hij Latijn, geschiedenis, aardrijkskunde, retoriek en poëzie. In 1835 kwam hij als huisonderwijzer naar de boerderij Solnør in Skodje. Hij bleef daar zeven jaar.

.

Taalideologie en taalwerk

Terwijl hij in Solnør was, legde Aasen de basis voor het grote taalwerk dat hij later zou uitvoeren. De jaren 1830-1839 in Noorwegen werden gekenmerkt door een taalpolitiek debat. In dit debat liet Aasen zijn stem niet horen, maar hij schreef in 1836 Om vort Skriftsprog allt. Hier presenteert hij zijn taalbeleidsprogramma en zijn nationale taalbeleidambities. Het was hem duidelijk dat zijn eigen Noorse schrijftaal nodig was om het Deens te vervangen. Om zowel sociale als nationale redenen was het belangrijk voor een onafhankelijke natie om een ​​eigen schrijftaal te hebben die gebaseerd was op traditionele thuisdialecten. Hij betoogde destijds dat de basis van een Noorse geschreven taal “een gelijkenis met, een basis voor” alle dialecten zou moeten zijn. En zo verwoordt Ivar Aasen dat, als een 23-jarige man: “Het heeft me altijd diep gekwetst wanneer ik hoorde dat onze gemeenschappelijke taal werd geschonden en belaagd, hetzij door goed verhulde onwetendheid, hetzij door zuiverings-ijver.» De tekst laat zien dat Aasen al goed thuis was in het taalpolitieke debat van die tijd, en dat hij waarschijnlijk de debatten van Peter Andreas Munch (Norsk Sprogreformation frå 1832)(Noorse Taal Reformatie van 1832) en Henrik Wergeland (Om Norsk Sprogreformation frå 1835) (Over de Noorse Taal Reformatie van 1835) zeer voorzichtig had gelezen. Hoewel Om vort Skriftsprog in 1836 werd geschreven, werd de tekst pas na de dood van Aasen gedrukt in Syn og Segn in 1909.

Tijdens de eerste jaren in Solnør las Aasen leerboeken en grammatica’s voor Duits, Frans en Engels. Hij maakte ook kennis met het werk van Rasmus Rask betreffende de IJslandse taal. In verband hiermee zegt hij:

“Op dat moment ontstond bij mij het idee dat ik een experiment in eigen handen moest nemen en zelf een taal zou moeten onderzoeken en bewerken. Deze taal was in feite wat ik eigenlijk mijn moedertaal zou kunnen noemen en die ik in geen enkele grammatica terug vond. Ik herinnerde me dat ik ooit Hallager’s Norsk ordsamling / Noorse woordcollectie had gezien, evenals enkele kleinere Noorse woordcollecties; maar – ‘waarom, dacht ik, worden de Noorse dialecten niet behandeld als andere talen?’ … ‘Zo’n werk,’ dacht ik, ‘kan alleen worden gedaan door iemand die is geboren en getogen in een boerenhuisje. Ik wil dat onderzoeken.’» (Ivar Aasen: Brev og dagbøker, band I:45, utgave av Reidar Djupedal, 1957-1960)(Ivar Aasen: Letters and diaries, volume I: 45, edition by Reidar Djupedal, 1957-1960.)

Zo kwam het dat ook de Sunnmørs-grammatica het eerste wetenschappelijke werk van Aasen werd.

Zelfs als Aasen zichzelf bekend heeft gemaakt als de grondlegger van de Noorse dialectologie als wetenschap, en zelfs als hij Oudnoors leerde en gedegen kennis had opgedaan van de geschiedenis van de oudere Noorse taal, was het niet het werk met dialecten of taalgeschiedenis dat zijn werkelijke doel was. Dialectologie en taalgeschiedenis waren middelen, geen doelen.

Aasen’s doel was om een ​​wetenschappelijke basis te leggen voor zijn eigen Noorse schrijftaal, gebouwd op de Noorse dialecten van die tijd. Daarom moest hij eerst de relevante dialecten in kaart brengen. Omdat hij ervoor koos om het standaardscriptdialect niet op één dialect te bouwen, maar op Noorse dialecten in het algemeen, net genoeg met een grotere aanvoer van bepaalde dialecten dan van andere, moest hij vervolgens, vanwege de grote verscheidenheid die de dialecten vertegenwoordigden, vormen kiezen. Dat zou dienen als standaardlettertypen. Hij moest dus ook een aantal principes loslaten. De dialecten vertegenwoordigden een grote hoeveelheid variatie in vormen en verbuigingspatronen.

De keuzes konden niet willekeurig zijn; ze moesten een systematische en ietwat eenduidige basis hebben. Met andere woorden, Aasen moest iets objectiefs en neutraals hebben in relatie tot de grote en gevarieerde hoeveelheid dialectvormen om de plussen en minnen van de verschillende vormen te meten, een soort referentiekader dus. Daarvoor gebruikte hij onder meer Oudnoors. Indien nodig besteedde hij ook aandacht aan andere Scandinavische talen.

Misschien wel het belangrijkste doel was om de innerlijke verbinding tussen de Oudnoors taal en de hedendaagse dialecten te kunnen aantonen. Op deze manier wilde Aasen documenteren dat het nieuwe, onafhankelijke Noorwegen wortels had die reikten tot in het onafhankelijke middeleeuwse Noorwegen. De taal was daar het bewijs van, en in overeenstemming met de nationale ideologie toonde deze taalcontext aan dat Noorwegen, door middel van de Noorse taal, in wezen een aparte natie was met een eigen cultuur. Op deze manier was het werk van Aasen, inclusief het historische deel ervan, ideologisch onderbouwd en toekomstgericht.

Aasen wilde – en zou een natiebouwer worden. Alles wat hij in “Om vort skriftsprog”/ “Over onze geschreven taal” beargumenteerde pleitte sterk voor een nauwe band tussen taal en land. Binnen de Noorse complexiteit was hij zijn tijd ver vooruit. Pas in de jaren 1840 begonnen zulke nationale romantische stromingen wortel te schieten in de Noorse bourgeoisie en het ambtenarenapparaat.

.

Veldwerk en wetenschappelijke productie

Het waren niet alleen taal en taalkunde die Aasen op jonge leeftijd bezighielden. Hij was ook een zeer bekwame botanicus. In de zomer van 1841 ging hij naar Bergen met een verzameling planten in vier grote pakketten, een verzameling woorden en woordvormen en een grammatica van zijn thuistaal, genaamd Den søndmørske Dialekt.

Het doel van de reis was al doende te proberen een springplank te vinden naar een meer literair leven dan een leven als leraar. In Bergen ontmoette Aasen bisschop Neumann, die hem onder meer in contact bracht met Frederik Moltke Bugge, voorzitter van Det Kongelige norske Videnskabers Selskab / de Koninklijke Noorse Vereniging van Wetenschappen en Letteren, in Trondheim. Bugge kreeg deze vereniging zover Aasen een studiebeurs te geven om Noorse plattelandsgebieden te bestuderen.

Tussen 1842 en 1846 was Aasen continu op ontdekkingsreis door het land, voornamelijk in West-Noorwegen en in de bergdorpen in het oosten, maar ook in de noordelijke bergen. Zijn Reise-Erindringer og Reise-Indberetninger 1842-47 / Reisherinneringen en reisverslagen 1842-1847, werd in 1917 door Halvdan Koht uitgegeven. Via hen kunnen we hem van dorp tot dorp volgen. De lokale variaties in gedrag, zeden en gewoonten, en niet in de laatste plaats in taal, leverden interessante cultuurhistorische informatie op van de wereld waarin we nu leven.

De dialectonderzoeken moesten dus als basis dienen voor de totstandkoming van “een gewone en echte Noorse geschreven taal”. Voor deze geschreven taal legt hij de eerste basis in Det norske Folkesprogs Grammatikk / De gramatiek van de Noorse volkstaal, uit 1848 en Ordbog over det norske Folkesprog / Woordenboek van de Noorse volkstaal, uit 1850. Beide werken zijn beschrijvend. Verschillende vormen uit verschillende dialecten worden hier naast elkaar weergegeven. In 1853 presenteerde Aasen zijn voorstel voor een schrijfnorm via het boekje Prøver af Landsmaalet i Norge / Voorbeelden van de nationale taal in Noorwegen. Hier presenteert hij dialectvoorbeelden uit verschillende plaatsen en ook enkele kleine stukjes op een standaard scriptdoel dat op deze dialecten is gebouwd. Voormalig eigenaar, allemaal in 1849, had hij Gesprek tussen twee boeren in Morgenbladet gepubliceerd. Hier gebruikt hij een norm die meer orthofonisch is (nauwere verbinding tussen spelling en uitspraak) en minder etymologiserend dan degene die we vinden in Prøver af Landsmaalet i Norge / Voorbeelden van de Nationale Taal in Noorwegen.

Potloodtekening, waarschijnlijk naar een foto van Aasen. Door Olav Rusti (1850-1920). License: Public domain

Aasen’s werk was wetenschappelijk, terwijl zijn doel en programma nationaal en politiek waren. Het programma werd dus bepaald voordat hij aan zijn onderzoekswerk begon. In Grundtanker til en Afhandling voor en norsk Sprogform / Basisgedachten voor een proefschrift voor een Noorse taalvorm, waaraan hij in 1850 begon te werken, zegt hij dat in plaats van te proberen de Deense geschreven taal om te zetten in een Noorse taal, een «veiligere uitweg […] zou zijn om een ​​onderscheidende Noorse spreektaal op te zetten. afgestemd op de meest geschikte dialecten».

Hij vervolgt: “Er wordt gezegd dat het voorstel gebaseerd is op een socialistische tendens. Ja, waarom niet? Indien er geen erger socialisme komt, dan is dat ook niet nodig. De echte taal is altijd socialistisch.” In 1852 lanceerde hij publiekelijk het idee van zijn eigen Noorse schrijftaal. Het stond in een rapport in Lange’s tijdschrift Folkevennen :”De relatie tussen de twee talen [Noors en Deens] is bovendien zo ongelukkig van aard dat de enige zekere uitweg voor ons zou zijn om een ​​complete Noorse taalvorm aan te nemen.” Deze nieuwe taalvorm moest «- zodanig zijn dat de vormopbouw werd gevormd volgens een of meer van de beste dialecten, en de linguïstische substantie werd gevormd door de normale Noorse woordenschat, met behoud van de oude taal. Alleen met een dergelijke radicale hervorming zou de nationaliteit van de taal kunnen worden hersteld; ik zie in ieder geval in niets anders voldoende hulp».

.

Het “Norm” Ideaal

Aasen had geen bezwaar tegen het gebruik van uitdrukkingen als “de beste dialecten”, “perfecte vormen” en dergelijke. Het is in overeenstemming met de tijd waarin hij leefde. Hij maakte nogal strikt onderscheid tussen de dialectverwerving die hij dacht te bezitten, en wat hij niet had, voor de norm die hij had gecreëerd. Hij keek weg van de talen die in de dorpen gesproken werden; ze waren te veel gemengd met het Deens, zei hij. Hij had ook geen goed gevoel voor Oost-Noorse dialecten. Hij begreep bijvoorbeeld de achtergrond van de kløyvd infinitiv niet[kløyvd infinitv is een speciaal patroon voor infinitiefvormen van werkwoorden in dialecten in Oost-Noorwegen, in Trøndelag en sommige Zweedse binnenlanden. Cruciaal voor al deze dialecten is dat de infinitieve dispositie anders is vanwege een historisch proces dat “jamvekt” wordt genoemd[[jamvekt is een term in de Noorse dialectologie, die betekent dat er evenveel druk is op beide spellingen in een woord met twee lettergrepen]]]. Het principe dat de kløyvd infinitiv regelt (vera versus kaste), en dat we het evenwichtsbeginsel noemen, was Carl Richard Unger (1817–1897), hoogleraar Germaanse en Romeinse filologie, die als eerste het begreep en formuleerde. Aasen baseerde zijn norm dus voornamelijk (maar niet alleen) op West-Noorse dialecten en Midlandsmål[de voertaal die gesproken werd in de binnenlanden van Noorwegen of bergnederzettingen, -de voertaal in de west-oostelijke Noorse bergnederzettingen in het zuiden van Noorwegen, dwz West-Telemark (behalve het Fyresdal-gebied, waar ze “Vestlandsk” spreken), Numedal (behalve Kongsberg, waar ze Vikværsk spreken), Hallingdal[ik woon in Hallingdal. AJ], Valdres en Nord-Gudbrandsdalen. De talen van die gebieden behoren tot het Østlandsk.].

Dat het norm ideaal van Aasen tot controverse zou kunnen leiden, is niet verwonderlijk. En vanaf dat moment – en tot nu toe – zijn de Aasen-norm, de nationale taal en het Nieuw-Noors / Nynorsk het populairste discussieonderwerp over taalbeleid in Noorwegen. Aasen nam zelf weinig deel aan deze strijd. Hij gaf de voorkeur aan zijn eigen professionele werk en zijn werk als dichter. Het was een taal die als de landstaal binnen alle geschreven taalgenres te gebruiken was. Ook hier heeft Aasen uitstekend werk geleverd.

Voor Aasen zelf lag de norm voor de landstaal vooral vanaf 1853 vast; alleen bij kleine dingen verandert hij later van gedachten. In 1864 publiceerde hij een normatieve grammatica, Norsk Grammatikk, en dienovereenkomstig een normatief woordenboek in 1873, Norsk Ordbog. In 1876 voltooide hij een systematische lijst van Noorse woordenschat (Norsk Maalbunad, editie uit 1925).

Aasen noemt zijn taal «landsmaal»/«landstaal». Voor hem was het een synoniem voor «riksmål»/«nationale taal»[te vergelijken met Algemeen Beschaafd Nederlands in Nederland, het ABN, AJ], en het betekende niet “de taal op het platteland”, maar “de taal in en voor het hele land”.

In Aasen’s eigen tijd was er onenigheid over de normen. Sommigen vonden ze te behoudend, te beïnvloed door het Noors, terwijl anderen vonden dat ze niet behoudend genoeg waren. Aasen zelf was gebrand op het vaststellen van normen voor de nieuwe gebieden van de geschreven taal. Ook voor de verbreiding van de norm zette hij een programma op waarin hij onder meer geloofde dat kerk en religie een macht vertegenwoordigden die het integreren van de landstaal ook daar lange tijd op zich zou laten wachten. Daar had hij het eigenlijk mis, en de psalmen van Elias Blix waren relatief vroeg geautoriseerd voor gebruik in de kerk. [Voorbeeld: «Gud signe vårt dyre fedreland»,

.

Als taalkundige was Aasen attent, nauwkeurig en systematisch. Zijn sterke gevoel voor orde, systeem en samenhang is kenmerkend voor al zijn wetenschappelijke werk.

.

“Folkeminnegranskar”[het onderzoek van volksverhalen en anekdotes] en gedichten

Zoals gezegd was Aasen niet alleen een taalkundige en taalpoliticus. Tijdens zijn reizen verzamelde hij ook Folkeminne (Noorse “Minnestykke” van 1921–1923: deel 1, deel 2). Hij publiceerde in 1856 Eventyr og Segner / Sprookjes en Sagen, en een grote collectie Norsk Ordspråk / Noorse spreekwoorden. Hij noteerde ook namen en hun betekenis. Het Noors namenboek / Norsk Navnebog werd in 1878 uitgegeven om invloed uit te kunnen oefenen op de vernoorsing van persoonsnamen. Op dezelfde manier geloofde hij dat de landtaal een taalband schiep die het heden verbond met het verleden van voor de 400 jaar onvrijheid en gebrek aan nationale onafhankelijkheid, en zag hij in de volkspoëzie en volkstradities een verband tussen het oude, onafhankelijke middeleeuwse Noorwegen. en de nieuwe natie. Een deel van het folkloristische materiaal dat hij verzamelde, was opgenomen in Prøver af Landsmaalet i Norge / Voorbeelden van de Landtaal in Noorwegen.

Naast dat wat Aasen heeft bereikt als taal- en folklore-onderzoeker, heeft hij ook sporen van zichzelf als dichter nagelaten. Bovendien vertaalt hij beduidend veel verschillende andere talen naar de Noorse landtaal. Hij begon al vroeg met het schrijven van poëzie en andere teksten in gebonden vorm te schrijven. Hij maakte hij onder andere de gedichtenbundel Fem Viser i søndre Søndmørs Almuesprog in 1843. Zijn bellettrie collectie is echter niet erg groot. In 1855 kwam het zangspel Ervingen en in 1863 de dichtbundel Symra, met bekende en zangbare gedichten als Nordmannen (Millom bakkar og berg), Gamle Norig, Gamle Grendi en Dei Gamle Fjelli .

Zijn gedichten hebben kenmerken van volkspoëzie. De duidelijke, beknopte en geestige uitdrukkingsvormen die Aasen’s poëzie het beste typeren, zijn duidelijk geïnspireerd door volksgezegden en door volkspoëzie. De toon is ingetogen, de inhoud is vaak universeel en de vorm kan direct didactisch zijn. Aasen was geen romanticus. Ook als dichter behoorde hij tot de traditie uit de tijd van het volksonderwijs.

.

Aasen in internationaal perspectief

Qua taalbeleid was Aasen radicaal. Hij geloofde zelf dat hij de Noorse geschreven taal weer tot leven had gewekt. De basis waren de dialecten van die tijd, terwijl het Oudnoors als referentiekader diende.

De geschreven taal van die tijd was Deens. De Noorse dialecten die in het hele land werden gebruikt, werden door het gewone volk gesproken, niet door de “geconditioneerde”. Ze spraken een soort Deens gebaseerd op Noors. De standaardisatiebasis voor de Nynorsk-schrijftaal is dus heel anders dan voor de meeste andere geschreven talen, die vaak genormeerd en gestandaardiseerd zijn in overeenstemming met de gesproken taal van een sociale en economische elite.

Vanuit een Europees en internationaal perspectief hebben Aasen en zijn werk niettemin veel gemeen met taalreizigers en taalreizen in andere landen. Rond dezelfde tijd dat de landtaal werd opgeschreven en vormgegeven, waren het individuen die door wetenschappelijk werk de basis legden voor bijvoorbeeld de standaardnormen in het Servo-Kroatisch, Tsjechisch, Slowaaks, Sloveens en Oekraïens. Ook de Faeröerse Venceslaus Ulricus Hammershaimb (1819–1909), die rond dezelfde tijd de basis legde voor de Faeröerse schrijftaal, kan worden genoemd.

Zo behoort Aasen tot een generatie Europese taalkundigen die hun professionele en wetenschappelijke inzicht in natievormende diensten gebruikten, en het Nynorsk /Nieuw-Noors (en overigens ook het Bokmål, de boekentaal) hoort samen met een aantal andere Europese talen die gestandaardiseerd zijn. gedurende de 19e eeuw tot de geschreven talen.

Ivar Aasen stierf op 23 september 1896. Hij werd op 29 september begraven op de begraafplaats Vår Frelsers Gravlund in Kristiania (Oslo).

In de geboorteplaats van Aasen in Ørsta zijn een centrum voor de Nynorsk-schrijfcultuur en een museum over zijn leven en werk, de Ivar Aasen-tunet, gebouwd.

 

The Ivar Aasen Centre. / Photo: Ivar Aasen-tunet / Nynorsk kultursentrum / Het Ivar Aasen Centre is gewijd aan de Noorse taalkundige Ivar Aasen die de taalgeschiedenis van Noorwegen heeft veranderd. Het museum biedt geweldige ervaringen met taal, literatuur, architectuur, kunst en muziek. Bron