Column 10: “Emotionele binding”

De lange weg naar de professionele beoefening van een wetenschappelijk vakgebied wordt vaak niet alleen bepaald door de persoonlijke belangstelling voor specifieke verschijnselen van natuur of cultuur, maar ook door individuen die men tegenkomt en door kansen die zich toevallig voordoen. Daarbij moet men zich niet zuiver laten leiden door de hoogtepunten – de grote vragen over de wereld of de vooraanstaande prestaties van een beschaving – maar vooral kijken of men de alledaagse sleur volhoudt: het verwerken van secundaire literatuur, het steeds opnieuw doordenken van minieme detailvragen en het oliën van de methodologische gereedschappen.

Dat veronderstelt wel een sterke intrinsieke motivatie om niet lui, cynisch of oppervlakkig te worden, en ik vraag me soms af waar de nodige emotionele binding eigenlijk vandaan komt.

In presentaties en zelfs in het doodnormale onderwijs wordt iedereen geacht om het eigen veld met een aanstekelijke fascinatie als het aller-leukste te verkopen dat er is. Blijkbaar verwacht men van wetenschappers de intellectuele rijpheid van soappersonages en ziet daarbij over het hoofd dat het zonder een bui van afkeer en frustratie op zijn tijd onmogelijk is om een stap verder dan onszelf te zetten – en juist daarover gaat het.

De affiniteit met een bepaald vakgebied hoeft dan ook niet per se door de inhoud ervan te komen. Prof. Dr. Theodor Nöldeke (1836-1930) bijvoorbeeld, de grootste aramaïst van de negentiende eeuw, was een keiharde rationalist en had een ontzettende hekel aan de religieuze literatuur in het Syrisch (een vorm van het Aramees die opklom tot een van de hoofdtalen van het christelijk Midden-Oosten) die hij dagelijks urenlang bestudeerde om de ene filologische noot na de andere te kraken. Hij was alleen bij het Syrisch terechtgekomen omdat de universiteitsbibliotheek van Kiel, waar hij voor het eerst hoogleraar werd, door omstandigheden over een aanzienlijke collectie beschikte. Het andere extreem is veel zeldzamer: Nöldekes even bekwame generatiegenoot Gustav Bickell (1838-1906), van hoogprotestantse huize, werd, pas gepromoveerd, bij het bestuderen van handschriften met Syrische theologische hymnen zo gegrepen door de historische doorwerking van de kerkelijke overlevering dat hij zich tot het katholicisme bekeerde en tot priester liet wijden.

Ik begrijp beide reacties, maar wat mij zelf aan mijn vak bindt, is uiteindelijk een bepaalde manier van redeneren en de aansluiting bij een academische traditie: het ontginnen van moeilijk toegankelijke, ambigue bronnen; het streven naar de beste mogelijke uitleg ervan; het door methode en gevoel geschoolde oordeel; het verband van de conclusies met overkoepelende historische of taalkundige vraagstukken; en het verdedigen van de eigen argumentatie.

Ook vaardigheden verwerft men immers voornamelijk door mee te lopen met iemand die zijn of haar vak beheerst, onafhankelijk van het onderwerp. Ik beveel gevorderde studenten dus altijd aan om vooral colleges te volgen bij mensen die echt iets te vertellen hebben, waarover dan ook.

De emotionele binding aan een institutie echter zit hem voor mij niet in een hypocriete corporate identity, die voortdurend celebreert hoe geweldig de eigen instelling toch is, maar in studenten die oprecht willen leren wat men zelf te bieden heeft. Daarentegen lijkt de diepere betekenis van een groot deel van de organisatiekant uitsluitend erin te liggen om materiaal te leveren voor een artistieke verwerking. (Zoals een ooit te schrijven boek Brieven uit Leiden; vermoedelijk zonder uitgebreide bedverhalen – in mijn geval geldt eerder met T.S. Eliot: ‘I read, much of the night, and go south in the winter’ – maar een verslag van het een of andere dienstgesprek bevat al genoeg perverse hardcore.)

De enige die systematisch aan de hoognodige overstap van de ‘professionele’ naar de geliefde universiteit werkt, is de schattige beer die weleens op charmante foto’s van de afdeling Voorlichting verschijnt. Zelfs als hij slechts een klein vakgebied met amper studenten beoefent, zoals de arctologie, en met zijn onderzoeksvoorstel over hoe je honing nog lekkerder maakt tot nu toe nog niet in de prijzen gevallen is: door de dagelijkse botheid te versoepelen, vervult hij een absoluut cruciale rol.

(Overgenomen van: Mare)

Holger Gzella is hoogleraar Hebreeuwse en Aramese taal- en letterkunde