Column 11: “Vrijheid”

Intellectuele vrijheid is de grootste zegening van een academisch bestaan. Ik bepaal mijn eigen onderzoeksthema’s en hoef niemand te behagen door subsidies binnen te slepen voor flutonderwerpen van het type ‘Saints, Sinners, and Sodomites: A Cross-Cultural Reading of the Aesthetics of Violence in the Acts of Syriac Martyrs and Quentin Tarantino through the Lens of Deleuze.’

Het vergt echter meer van een institutie om die vrijheid te verwezenlijken dan grote woorden en weleens een symbolisch gebaartje, hoe goed bedoeld ook, zoals dissidenten uit den vreemde op een eten te trakteren. De universiteit hamert nogal op de libertas van haar lijfspreuk maar kan de frisse wind ervan niet altijd aan.

Voor mijn optreden in het televisieprogramma De Hokjesman kreeg ik bijvoorbeeld – naast een aardig berichtje van de rector en talloze ontroerende bemoedigingen – gedurende een functioneringsgesprek op instituutsniveau een berisping voor het doen van ‘asociale uitspraken’ waarmee ik ‘de reputatie van de universiteit en de professorenstand ernstig beschadigd’ zou hebben. (Onjuist, ik sprak op persoonlijke titel.)

Vervolgens hebben dezelfde besturen vanwege mijn even asociale columnistenwerk, opnieuw zonder wederhoor en zonder iets van de inhoud te begrijpen, een zo hallucinante als intimiderende dienstbrief aan mijn personeelsdossier toegevoegd. (Die zou zelf een hilarische column vormen, ware hij niet te lang en stilistisch ondermaats.)

Ook na twaalf jaar hoogleraarschap hier een nieuwe ervaring; aan het Vaticaanse instituut, waar ik eerder werkte, was zoiets niet gebruikelijk.

Zo’n incident vertoont voornamelijk overspronggedrag; tegelijk wijst het op een bestuurscultuur waar karaktervorming beslist niet voorop staat. Tot op zekere hoogte is dat begrijpelijk, hoewel een universiteit onwaardig. De afhankelijkheid van directeuren en subsidiegevers bevordert achterdocht, verklikkerij en gezagsgetrouwheid. Wie opvalt, is verdacht.

Vrijmoedigheid (professor komt van profiteri ‘openlijk verklaren’) wordt door sommigen niet getolereerd omdat zij daar te beperkt voor zijn. Ze willen arbitraire categorieën zoals ‘fatsoen’ opnemen in formele beoordelingen om iets in de hand te hebben tegen vermeende lastpakken die hun werk helaas prima doen.

Men is gefixeerd op bureaucratische processen – bestuur droomt van zichzelf – en durft niet te reflecteren waarover het eigenlijk gaat. Er staan voor die ene officier van justitie die publiekelijk columnisten wantrouwt, ongetwijfeld interessante à la carte-cursussen te koop, mocht hij ondanks het drukke rondspeuren toch wat tijd hebben. Ik vraag me wel af hoe het dan mogelijk is om in studenten waardering voor wetenschappelijke vrijheid te kweken en ze op te leiden tot mondige burgers, want alleen geleefde vrijheid overtuigt.

Ware vrijheid is voor mij een beeld dat niet ontleed kan worden in definities. Mij schiet bij dit woord een iconische foto uit begin jaren zestig te binnen: mijn moeder als meisje van medio twintig in haar witte Porsche 356 met open dak in een zomers Alpenlandschap.

Ik weet niet of hij al een radio had – ze kon zich toen niet voorstellen om bijna vijftien jaar later een kind te krijgen en maakte, blindvarend op haar spontaniteit en hoge intelligentie, sowieso nooit plannen voor de toekomst. Dus er was geen kans om die fantastische bak te erven. Maar de muziek in haar hoofd stond altijd hard.

Bij buien van benauwende bazenstress helpt het om er even naar te kijken. Net als zij vind ik het leven een avontuur en heb nooit meer, maar ook niet minder, gewild dan een baken zijn van de waarden die deze vrije en fijne geest me voorgeleefd heeft. Ze heeft me tevens geleerd dat de afwezigheid van humor een feilloze indicatie van domheid is. De ervaring bevestigt dat dit juist voor de academische wereld geldt.

In de wetenschap gaat vrijheid eveneens verder dan zuiver de kracht van het betere argument te onderkennen, wat het ook is en van wie het ook komt. Het is vooral een gevoel: het oervertrouwen dat de juiste redenering ondanks alle persoonlijke vooringenomenheid uiteindelijk zegeviert en dat het licht in de duisternis schijnt. Dat klinkt in een feitenvrije samenleving wellicht hopeloos idealistisch. Echter, in een wereld zonder idealisme valt niet te leven.

(Overgenomen van: Mare)

Holger Gzella is hoogleraar Hebreeuwse en Aramese taal- en letterkunde